0117
28-04-1999
HAARLEMMERMEERPOLDER EN MARKERMEER
Esther Polak
Twee landschappen, in hun tijdelijkheid
vereeuwigd.
Na een bezoek aan de tentoonstelling
‘Langs velden en wegen’ (1997) in het
Rijksmuseum voelde ik mij lichtelijk
jaloers. In het veld, buiten, het
landschap schilderen, dat leek mij
ook wel wat. Maar afgezien van het
feit dat mij de technische vaardigheid
ontbreekt, werd mij al snel de
onmogelijkheid van zo’n onderneming
duidelijk. Dat zou een anachronisme
worden. Binnen mijn eigen kunstenaarschap
staan mij slechts haaknaald
en fototoestel ter beschikking. Daar
zou ik het mee moeten doen.
Ik ben het
landschap ingegaan om toch, tegen de
klippen op, het landschap te gaan
haken ‘naar het leven’. Om het bewijs
te leveren dat ik het landschap daadwerkelijk
ter plekke haakte, heb ik
gebruik gemaakt van de fotografie.
Een prettige bijkomstigheid was dat
de fotografie het landschap ook
zichtbaar maakte, op de simpele en
eenduidige manier waarop een foto
dat nu eenmaal doet.
Ik heb mijn
garen meegenomen en ben op een
piertje op Marken gaan zitten haken.
De foto’s die ik met behulp van de
zelfontspanner maakte zijn in het
aldaar begonnen werk ingehaakt.
Aan de keerzijde van het werk is een
foto van de Haarlemmermeerpolder te
zien, met daaronder hakende handen
in de trein. (Het reizen per trein is
voor mij een vanzelfsprekende manier
om mij in deze polder te bevinden.)
Haarlemmermeerpolder en Markermeer
zijn ruggelings aan elkaar gehaakt:
de polder kan niet zonder zijn
verleden als water. Een meer heeft
de polder op die manier niet nodig,
behalve dan het Markermeer, dat
zonder de plannen voor inpoldering
nooit in zijn huidige vorm zou hebben
bestaan. Wie naar een polder kijkt,
weet dat
dit stuk land, als menselijk onderhoud
faalt, weer terugkeert naar zijn
voorgaande staat: water. Wie naar
het Markermeer kijkt, weet dat dit
stuk water, als natuurbescherming
faalt, omgevormd wordt tot zijn
geplande staat: polder.
–EP

